Over Boudens

2011 - CADRAGES (Een jeugd in Brussel)

Luc Boudens groeide op in het Brussel van de jaren zestig. De stad vervelde volop van de voorbije eeuw. Het nieuwe optimisme heette beton, hoogbouw en strakke lijn. Luc keek ernaar met verbazing en bewondering. Op weg naar school raakte hij, zonder het te beseffen, doordrongen van deze na-oorlogse esthetiek die glom van zelfvertrouwen. De jongen werd geconfronteerd met het werk van ondermeer Jacqmain, Van der Meeren, Bontridder, ...

Thuis was er een abonnement op Spirou/Robbedoes. Hier heetten de architecten Franquin, Jijé, Rob-Vel en ze kwamen aanzetten met fantasierijke, revolutionaire bouwsels en prikkelende interieurs waarin onze aandachtige jonge lezer ook kunst aan de muur zag hangen of op een excentriek tafeltje zag staan.

Het bracht Luc Boudens tot deze huidige 'Cadrages': hij speurde de strip-interieurs af, zoomde in op een detail en plaatste dat, binnen zijn eigen gekende vormtaal, in een nieuw kader.


– IN KAART GEBRACHT –

In 1990 verscheen bij Carbolineum Pers De zeemeerman en zeven anderen, acht lino's van Luc Boudens in een oplage van 26 exemplaren. Terwijl platen als De gestrafte en De krijger uitdrukking geven aan een gestileerde figuratieve visie, bieden De sluiper en De toornige een aarzelende aanzet tot synthetiseren en abstraheren.
Boudens valoriseert het materiaal. Hij kerft niet in de linoplaat om afdrukken te maken, hij verheft de plaat zelf tot doel en kunstwerk. Daarbij houdt hij rekening met de eigenschappen van het materiaal. Het zachte linoleum bevordert de elegantie van de lijn en schraagt een gevoelige ritmiek. De natuurlijke tint van het linoleum primeert, de sobere kleurentoetsen beklemtonen de poëtische transparantie van deze profane iconen.

Ogenschijnlijke reminiscenties aan art nouveau, japonaiserieën en historische avant-garde geven Boudens' vormentaal een bevallige toegankelijkheid. Toch blijft in de kern iets weerbarstigs onuitgesproken. In het grafisch werk dat hij bij Herman Toelen Fine Arts exposeerde - veelal gemengde technieken met als drager papier of zacht linoleum - overheersten grillige haast organische vormen: dekschilden, schalen en scharen, strakke pantsers van vervaarlijke insecten of schaaldieren, of instrumenten uit een persoonlijke heelkunde zonder verdoving - een hoekig, kneuzend, klemmend, knijpend, puntig en penetrerend instrumentarium, dat alles ontsproten aan een verbeeldingswereld waarin sluimerende angst en de dreiging van geniepig gevaar tastbaar aanwezig zijn. De zware, ruwe houten lijst waarin een aantal werken op bruin inpakpapier gevat waren, onderstreepte als het ware het wat weerbarstige karakter van de centrale nauwelijks met kleur opgehoogde tekening: een hiëroglief, een teken, een eigenzinnig heraldisch statement, een raadselachtig embleem dat als persoonlijk onderscheidingsteken of wapen geponeerd werd. Het al dan niet ontcijferen van zo'n sprekende wapens is de taak van de toeschouwer.

In het werk dat hij in 1996 onder de titel Cartografie in de Zwarte Panter toonde, voltrok zich een verstilde en bezonken poëtisering die enige affiniteit met Cobra vertoont. De economie van de middelen verleent dit werk een opmerkelijke transparantie: ecoline, sigarettenas en krijt. Alles lijkt met niets gemaakt. Het uitgangspunt lijkt soms arbitrair. Door het oppervlakkige uitbuiten van het verleidelijke zachte hout ontstaat een frisse, elegante en primitief aandoende tekening, gedragen door een gevoelige ritmiek. Deze sierlijkheid wekt onbewust herinneringen op aan de wandschilderingen van Tassili N'ajjer of aan minoïsche fresco's. Gaat het nu om primitieve, naïeve eenvoud of, integendeel, om eenvoud als doordachte resultante van een wat decadente zucht naar verfijning?

Boudens is er allang van overtuigd dat het medium de boodschap vormt. Hij presenteert zijn werk dan ook zorgvuldig. Het kader maakt deel uit van het kunstwerk, in dit geval inderdaad in-gelijst of anderszins aangereikt door eenvoudige maar doelmatige reliëfeffecten.
Van Ostaijen beklemtoonde dat het steeds gaat om stijl: het esthetisch realiseren van een wereldbeschouwing, en niet om het 'schoon-volmaken' van de buitenwereld. Boudens koestert een impliciet heimwee naar het onwankelbare begrip schoonheid als tegengif voor de maatschappelijke uitzichtloosheid.

In een tweede beweging zou Luc Boudens letterlijk de scherpe hoeken afronden en met de tentoonstelling KlingKlang in 2000 in Antiquariaat Jef Meert een reeks hommages aan meesters uit de historische avant-garde exposeren. Het pantser werd partieel afgelegd: de golvende, schijnbaar vrijblijvende arabesken en de heldere, serene kleuren vertolkten een vanzelfsprekende maar verregaande verinnerlijking. In een begeleidende tekst luidt het:

De ware lijn klinkt hier slechts
voor wie haar wil zien en zoenen
Kling, zegt zij, en Klang,
dat alles zonder wreedheid bedoeld;
entrée slechts tot bonte beschaving wenst zij te zijn,
Kling, zegt zij, en Klang vol kleur,
keur is zij van de Zang
En monddood voor zie haar melodie wil tegengaan.

De lijn is er slechts om toegang te verlenen tot bonte beschaving. Dat alles nu zonder wreedheid bedoeld:

Kling & Klang, Zing & Zang
Verslinden alle zurigheid en wraak


Het kwam er nu immers op aan het weerbarstige af te leggen, de hoekjes af te ronden, inderdaad, de egelstelling te verlaten en zangerig op te roepen 'al wat luchtig maar voorbeeldig is, alles wat beklijft, alles wat vrolijk vervliegt.'
Om dat aanschouwelijk te onderstrepen, kregen die 25 werken telkens de naam van een dans: Pavana voor Akarova, Galop voor Hellens, Courante voor Pas, Panpan voor Pansaers, Nocturne voor Spilliaert, Gigue voor Tour Donas, Estampita voor Flouquet... Ik droom van een dansende god, zei Nietsche.

Met de reeks Littoral pakte Boudens in 2001 bij Galerie Martin van Blerk voor de eerste keer uit met een reeks werken acryl op doek. De toepassing van een nieuwe techniek bevestigde de wending die zich de jongste jaren in de vormentaal van de kunstenaar gaandeweg voltrokken had. De strakke lijn en het verhevigde koloriet onderstrepen de sterke constructieve wil die nu duidelijk op de voorgrond treedt. De waargenomen realiteit wordt aanschouwelijk geabstraheerd tot een spel van contrasten dat niet te herleiden is tot een decoratieve functie. Het getormenteerde bewustzijn dat nog altijd aan de grondslag ligt van Boudens' maniakale en minutieuze vormexperimenten komt nu, door het nastreven van een harmonieuzere en bij wijlen monumentale vormgeving, tot bedaren - monumentaliteit heeft niets met formaat te maken.
De titel Littoral verwijst naar jeugdherinneringen. Terwijl de aandacht van de schilder zich de voorbije jaren toespitste op de Belgische vroeg-abstracte schilders en op de architectonische vlakverdeling ingeluid door De Stijl, werd hij getroffen door de uitgerekend constructivistische benadering van een aantal vakantiefoto's gekiekt aan o.m. de Belgische kust: de bewuste aanwending van een nieuwe, cleane vormentaal was aldus onmiskenbaar onderbewust gevoed door vergeten beelden uit het verleden. Hier worden we geconfronteerd met een algemene evocatie. De anekdotiek doet er niet toe. Vandaar dat de doeken geen titel meekregen. Het gaat om een aantal sequenties die een algemene indruk oproepen. Aan de Belgische kust vertonen immers de meest uiteenlopende architecturale stijlen zoiets als een 'air de famille', waarbij een tikkeltje commerciële schijnkunst nooit uit de lucht gegrepen is. De verheven kunststijlen verkrijgen iets populairs en zelfs de meest orthodoxe art nouveau of art deco gebouwen - op enkele zeldzame uitzonderingen na, denken we aan het Zwart Huis in Knokke - baden in een sfeer van pop-art avant-la-lettre. Eigen aan de reeks Littoral is dat Boudens in elk werk min of meer de techniek van de blow-up toepast en daarbij, bewust of onbewust, de uitdrukkingsmiddelen van het kubisme (her)ontdekt: de opwaardering van kleurcontrasten. Schilderen is de kunst van een plat vlak te animeren en het plat vlak is een tweedimensioneel universum. Door de illusoire interventie van een derde dimensie wordt de schilderkunst in haar essentie vertekend.

Ook hier staat het werk van Boudens haaks op wat thans gangbaar is in de schilderkunst - voor zover er nog geschilderd wordt. Schilderen is een hopeloos verouderde techniek... Wilde en povere schilderkunst wordt nog oogluikend aanvaard, eerder als curiosum trouwens, zeker niet als dominante kunstuitdrukking, maar beide manieren (in de betekenis van manièra) houden vast aan het scheppen van de illusie van de perspectief en bijgevolg aan het nabootsen van voorwerpen. Hier hebben we te maken met de nabootsing, met het oproepen van als het ware door een lens gecadreerde beelden of afbeeldingen. Boudens heeft het nabootsen van menselijke vormen of van voorwerpen beoefend, bijvoorbeeld in de xylografieën van De Zeemeerman en zeven anderen (1990), en ook in de reeks Littoral is die mimèsis uiteraard niet afwezig. Maar de nadruk komt te liggen op het zuiver constructieve, en namen komen opdoemen waar in de reeks KlingKlang reeds expressis verbis naar verwezen werd: Baugniet, Huib Hoste, Stijnen, Jan Cockx. De constructieve strakheid gaat daarbij gepaard met een vitalistische kleurenexplosie zonder weerga in het reeds omvangrijk oeuvre van Boudens.

Na die uitbundigheid koos Boudens voor de eenvoud van de lijn en de frontale confrontatie met de poverheid van het materiaal: ascetisch zwart en wit. Naval, zijn tentoonstelling (Galerie Martin van Blerk, 2003), was dan ook geconcipieerd als een geheel: de nietsvermoedende bezoeker werd in feite in een vreemdsoortig environment gelokt, waarbij reminiscenties aan het 'style paquebot' gepaard gaan met een steeds bewuster verkennen van de driedimensionaliteit. Wat aan de muur hing, hing er niet, maar bepaalde mee de ervaring van een ruimtelijk geheel.

Boudens wendt een denkwijze en methode aan die haaks staat op wat vandaag usance is. Het discours rond het kunstwerk prevaleert deze dagen op wat je te zien krijgt: hoe poverder het kunstwerk, des te weelderiger (en vooral ernstiger) het obligate commentaar. Hoe schraler de verschijningsvorm, des indringender (zo lijkt het toch) de doorgaans onleesbare zoniet onbegrijpelijke dan toch duistere glossen. Het kunstwerk wordt pas aanwezig in en dankzij de zogenaamde verklarende toelichting.
Hermes is de god van de hermeneutiek, de leer van de regels en hulpmiddelen die bij de uitlegkunde gebruikt worden, maar hij is ook de god van de koophandel. Vandaag worden beide functies verward. Betekent dit dat zolang Boudens zich niet toelegt, zoals het thans hoort, op tekst en uitleg en daar een mooi verhaal over maakt - wat hem wel toevertrouwd is - de poorten van de tempel voorlopig slechts op een kier staan? Wat er ook van zij, het komt er niet op aan een stijl te herkennen maar het kunstwerk te ervaren.
Hoe assertief hij zich ook als individu kan (aan)(op)stellen, als plastisch kunstenaar behoort Boudens tot de weinigen die pretentieloos maar hardnekkig en met ijzeren consequentie de iconen tevoorschijn tovert die zijn innerlijke wereld bewonen en verfraaien.

Dit blijkt eens te meer uit Luc Boudens' zesde tentoonstelling, Sites. De verrassende grondtekening die elke archeologische vindplaats nu eenmaal ontvouwt vormt het uitgangspunt van de kunstenaar. Op de vergane structuren van imaginaire opgravingsterreinen ontwerpt Boudens een nieuwe, ingetogen, hoogst persoonlijke bouwkunst. De subtiliteit van de mixed media die hij geduldig aanwendt, de tonaliteit waarvoor hij kiest, verstillen de monumentaliteit van zijn ontwerpen die tegelijk soliditeit en intimiteit uitstralen. Het gaat hier niet om gevoeligheid maar om kunstontroering: het uit de grond te voorschijn brengen van verborgenheden. Opgraven, opdelven uit de diepste lagen van het on(der)bewuste om tot een kunstvoorstelling te komen waarin het denkproces van haar architectonische ontwikkeling zichtbaar wordt. In die ervaring klinkt wat Van Ostaijen noemt 'de herinnering van en het heimwee naar zulke zuivere wet die, in de schoot van deze aarde, ook de kristallen vormt'.

Henri-Floris Jespers.


– TAPE OP PAPIER: TIJDLOOS EN INTRIGEREND –

In galerie Djemma in Schoten loopt nog tot 30 april 2005 de tentoonstelling ‘Tribal’ van Luc Boudens. Er wordt non-figuratief werk getoond van uiteenlopende aard: houten sculpturen, tapijten, pentekeningen en tapings. Vooral deze laatste werken spreken tot de verbeelding. Het gaat om abstracte, kubistische composities op papier, samengesteld uit geverfde stroken plakband. De symmetrische kleurvlakken, her en der opgehoogd met papier, doek of karton, doorkruisen en overlappen elkaar voortdurend. De gelaagdheid van de compositie zorgt voor een speels effect, terwijl de uitbundigheid van het geheel wordt onderdrukt door een laagje houtskool dat de kleuren tempert.
Hoewel de beeld- en kleurpatronen onderling om aandacht vechten, stralen de composities op zich vooral rust en stabiliteit uit. Men ziet er verwijzingen in naar geografische foto’s, architectonische studies en bouwplannen. Boudens is dan ook sterk beïnvloed door het werk van kunstenaars-architecten als Georges Vantongerloo of Le Corbusier. Anders dan bij de architecten zijn de bouwplannen die Boudens ons toont allerminst technisch van aard. Geen berekeningen, geen bestemmingsplan en al helemaal geen plaatsaanduidingen. Het gaat om louter imaginaire sites die moeilijk te situeren zijn in ruimte of tijd. Ze zijn noch historisch, noch visionair of futuristisch. Dit geldt niet alleen voor de picturale voorstelling, ook de stijl is tijdloos. Gaat het om constructivistische composities uit het begin van de vorige eeuw, of om een voorafspiegeling van toekomstige urbanisaties? Enkel de techniek, tape op papier, verraadt het hedendaagse karakter van Boudens’ retro-futurisme.
De obsessie van de kunstenaar om een imaginaire wereld te bouwen enerzijds, en met kleuren en lijnen een geordende chaos te componeren anderzijds, komt ook duidelijk terug in de houten installaties en assemblages die de tapings flankeren. Het gaat opnieuw om kubistische composities die als gemeenschappelijk kenmerk eenzelfde gemis uitstralen als de tapings: hun gebrek aan concrete relevantie. Dat is meteen ook de sterkte en de essentie van Boudens’ werk. Wars van anekdotiek of een achterliggende boodschap wil hij zijn werk voor zich laten spreken, als stille getuige van geweest is, of nog komen zal.
Voor wie Luc Boudens nog kent als auteur van verhalenbundels als ‘Vrijdag Visdag’ (1986) of ‘De tiende provincie’ (1987), zal de tentoonstelling van zijn grafisch werk in Schoten een verrassende maar allicht aangename nieuwe kennismaking zijn. Sinds de auteur het schrijverschap voor onbepaalde tijd bekeken hield, stelde hij schilderijen, tekeningen, lino’s en tapings tentoon in galerie De Zwarte Panter en galerie Van Blerk in Antwerpen, en in galerie Djemma in Schoten.

Hans Willemse.